- Berichten
- 70
Soms begint een goed verhaal met een klein moment van twijfel. Zo ook dit.
Enkele maanden geleden zaten we gezellig op restaurant, toen mijn oog viel op een van de suggesties: een dry-aged steak van maar liefst €60. Mijn eerste reactie? Dat is toch wel stevig geprijsd voor een steak. Maar tegelijk was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Wat maakt zo’n stuk vlees nu eigenlijk zo bijzonder? En belangrijker: kan je dat zelf doen?
Eens je begint te zoeken naar dry aging, beland je al snel in een wereld vol technieken, meningen en – verrassend genoeg – vacuum dry-age zakken. Na wat research begon het idee te groeien: dit moet ik gewoon zelf proberen.
Ik stuurde een berichtje naar enkele kameraden met de vraag of ze zin hadden in een experiment. Het antwoord liet niet lang op zich wachten: enthousiasme alom.
Ik bestelde een Zuid-Amerikaanse ribeye van ongeveer 2 kilo. Toevallig had ik nog enkele “gewone” ribeyes van dezelfde batch in de diepvries zitten. Perfect dus om later een eerlijke vergelijking te maken.
Na levering liet ik het vlees rustig ontdooien en begon het echte werk: vacuüm trekken in een dry-age zak en vervolgens laten rijpen op een rooster in mijn kleine koelkast in de berging.
De innerlijke wetenschapper in mij kon het niet laten om alles nauwgezet op te volgen, dus installeerde ik een temperatuur- en vochtigheidssensor. Al snel bleek dat mijn koelkast niet bepaald ideaal was: temperaturen schommelden tussen 1 en 5°C. Niet perfect, maar goed genoeg om het experiment verder te zetten.
Dag na dag zag ik het vlees veranderen. Het kreeg een donkerdere kleur en begon langzaam zijn typische dry-age karakter te ontwikkelen.
Maar… ook de geur veranderde.
Hoewel de zak zelf weinig geur afgaf, hing er telkens bij het openen van de koelkast een steeds minder aangename lucht. Twijfel sloeg toe, maar toch besloot ik door te zetten. 45 dagen moest het worden.
Toen dag 45 eindelijk aanbrak, haalde ik het vlees – met lichte spanning – uit de zak. De geur was aanwezig, maar niet ronduit slecht. Geen rotting, eerder intens. Ik besloot het risico te nemen.
Van de oorspronkelijke 2 kilo bleef na het rijpen nog 1,48 kilo over. Na het trimmen hield ik uiteindelijk nog ongeveer 1 kilo over.
Een stevig verlies dus.
Omdat de tasting pas twee weken later gepland stond, vacumeerde ik de steaks opnieuw en gingen ze de diepvries in.
De dag van de waarheid brak aan. Met een knipoog had ik mijn vrienden al gewaarschuwd: “haal al maar Imodium in huis.”
Op het menu:
- Dry-aged ribeye
- Gewone ribeye (voor vergelijking)
- Champignonroomsaus
- Frietjes van de frituur (want traditie is traditie)
Het bakken zelf was misschien nog de grootste uitdaging: steaks perfect garen voor vijf personen, én tegelijk een kipfilet voor mijn zwangere vrouw.
Ik koos voor een indirecte opstelling met rookhout (kerselaar) en liet het vlees rustig garen tot 42°C. Daarna even laten rusten en afgrillen op de speksteen voor die perfecte korst.
En dan… proeven.
Het verschil was duidelijk. De dry-aged steak had een diepere, nootachtige smaak die prachtig samenging met de rooksmaak. Complexer, intenser.
Maar niet alles was perfect: de textuur was iets minder mals dan de gewone ribeye, vermoedelijk door het vochtverlies tijdens het rijpen.
De meningen aan tafel?
- De echte steakliefhebbers: overtuigd, absoluut een meerwaarde
- De anderen: beide steaks waren heerlijk, maar de dry-aged sprong er niet per se bovenuit
Eerlijk? Het is dubbel.
Het experiment was ontzettend leuk en leerrijk. Maar als je alles optelt:
- €70 voor het vlees
- €7 voor de zak
- Slechts 1 kilo eindproduct
Dan kom je prijsgewijs dicht in de buurt van kant-en-klare dry-aged steak, zonder het risico dat het mislukt.
Misschien. Maar dan met een groter stuk vlees (bijvoorbeeld 3 kilo) om het verlies relatief te beperken. Al stijgt daarmee natuurlijk ook het risico én de investering.
Dry aging thuis werkt, en het resultaat kan echt indrukwekkend zijn. De combinatie van diepgang in smaak en rokerige toetsen is heerlijk.
Maar: het vraagt tijd, aandacht, en je bespaart er nauwelijks geld mee.